Schalk in ’t ooverleggen, stout in ‘t uitvoeren

27 Apr

De eendenkooi van Ruigoord is gesticht in 1652, maar er zijn aanwijzingen dat al voor die tijd eenden gevangen en gedood werden op het oude eiland. Het bleef hier echter niet altijd bij watervogels … (!).

Fuiken, strikken en vishaken
Een beschrijving van het eiland Ruigoord rond 1573, ver voor de drooglegging van de omliggende wateren van het IJ, opgetekend onder auspiciën van het Nederlands Volkskundig Genootschap vertelt:

‘Ver genoeg van de vaste wal gelegen om rustig te zijn, was het met zijn ruige rietboorden en slikkerige uitlopers, zijn inhammen en kleiplaten buiten af in zijn kreken en poelen naar binnen een welkom oord voor vele waterbewoners.
Menigmaal werden zij er belaagd door listige vogelaars. Voorzichtig in het riet gedoken of op andere wijze de argeloze dieren verschalkend, hielden de jongens in de hand een lang touw met wat drijvend aas aan het eind, zo ver mogelijk in het water geworpen.
Liet nu een hongerige vogel zich verlokken, hapte hij gretig toe en slikte hij, niet minder gulzig, het verraderlijk aas in, dan sprong de vogelaar toe, na eerst de lijn naar zich te hebben toegehaald, en het eind was… een omgedraaide hals.

Geuzenstrijder

Hier was het ook, dat tegen het einde van het Spaanse beleg van Haarlem in 1573 Spaanse verversingstroepen aanlandden om eenden te vangen, terwijl Kennemer vrijbuiters in de herberg aan de Westsaner Overtoom zaten. Geen enkele der Spaanse krijgslieden was het ontkomen. Ruigoord, het water van het Houtrak tot aan de Spaarndammerdijk, was het einde van hun loopbaan.’

Roeiers op het IJ nabij Ruigoord.
Kaart Joost Jansz 1608

Spaans benauwd
Een van de indrukwekkendste overvallen op de Spaanse bezetter hier werd na 1628 beschreven door de befaamde historicus P.C. Hooft die het optekende volgens het verhaal van hen die het daadwerkelijk hier beleefd hebben.

Te deeze tydt hield zich op ’t Y een vrybuiter der Geuzen, geheeten ’t Hoen, die, schalk in ’t ooverleggen, stout in ’t uitvoeren, met onvoorziene aanslaaghen de waateren onveiligh maakte. Deez’, verspiedt hebbende, hoe een’ bende speerruiteren van Amsterdam naa Haarlem trok, liet zich voorstaan, datze zijne waaren, indien hy hen op een rak¹ dyx, daar ter zyde geen’ uitvlucht was, betrappen konde. Twee roeyjaghten had hy bij zich en booven achtien man’ niet, en wild’ het echter waaghen met dus een’ vuist vol volx. Ziende hen ter gewenschte plaatse, spreiden zy zich en koomen ten deel van vooren, ten deel van achteren opklimmen. ’T Weeke weeder had ook den dyk geweikt, en de paarden het noch quaadt genoegh zonder andere belemmering, alzou zoo zy dikwijls door de korst heen stapten en ten buik toe in de modder schooten. Versmaadende nochtans de weenighte, die hun ’t hoofd bood, vorderden zy hunnen wegh, maar konden geen veirt maaken. Toen leggen de vrybuiters aan en naauwelyx een’ scheut, oft ze deed eenen man sneuvelen. Voort vellen de voorsten hunne spietsen zonder schroomte voor de speeren, die daarby in lengte niet haalen moghten, en dryven hen den achtersten toe. Daar worden zy eeven oevel gegroet en echter ² gedwongen, toom te wenden. Binnenwyle hadden de voorsten herlaaden, en gingen hunn’ eersten gang. ‘Thel ³, gekneedt van de hoofslaagden, werd hoe langher hoe murwer en ’t eene ros by ’t ander bleef steeken in ’t klamme slyk oft slibberde op het gladde, in zyn eyghen en zyns meesters bloedt en schudde hem uit het zadel. Dit vallen en opstaan, gins en weeder jaaghen, duurde, tot de gantche kornet 4, geschat op anderhalfhonderd koppen, ter neer geworpen was.

1 een recht stuk weg, vgl. Damrak, Vuilrak en Houtrak
2 opnieuw
3 nieuw=Nederlands hal = bevroren grond
4 afdeling ruiterij

 

De Spaarndammerdijk tussen Halfweg en Spaarndam, plaats van de overval.

’t Hoens glorie

De voorjaarszon straalt warmer glans

En smelt de sneeuw tot slijk,

Het water zwelt in sloot en kreek,

Maakt velden dras en weiden week,

En sijpelt in den dijk.

 

Maar dat keert Spanjes heirmacht niet

Van Haarlems muren af.

Al heet haar slinkend krijgertal,

In wreevlen moed, den fieren wal

Hun kerkhof en hun graf.

 

Weêr rukt een nieuwe speermansstoet

Van driemaal vijftig aan;

Het weemlend licht van d’uchtendglans

Weêrkaatst op pantser, helm en lans,

En op Sing Jagoos vaan.

 

Hij rukt, gelijk een donderwolk

Van bliksemvuur doorgloeid.

In stilte voort naar de oorlogsmacht,

Die hunkerend naar versterking smacht,

Door langen strijd vermoeid.

 

Wie doet dien dichtgesloten drom

Van ijzren mannen staan?

Wie keert hen van de vege stad?

Wie rukt hen tegen op hun pad,

En vangt den kampstrijd aan?

 

Niet één verschijnt, niet één daagt op,

Waar ’t hoopvolle oog ook staar’;

Dan wat vermocht een held toch ook

Op die doorweekte, smalle strook,

Beheerst door zulk een schaar?

 

Alleen langs ’t plassend stroomnat drijft

Een tweetal jachten voort,

Met tweemaal negen maats bemand,

Verjaagd van ploeg en akkerland,

En ’t hart door wraak gespoord.

 

Maar wat zou tegen de ijzren speer

Die boerenkiel bestaan?

En wat dit enkle handmusket

Ook tegen borsten, gants omzet

Met stalen harnasblaân?

 

En toch van dáár, van dáár alleen

Genaakt de tegenstand: –

Naauw ziet het Hoofd der wakkre maats

De ruiters ter gewenster plaats.

Of ’t jachtpaar steekt naar land.

 

Een bood ontlaadt zich in ’t gezicht

Van ’t Spaanse ruitertal,

Dat meesmuilt om den overmoed

Der manschap, die hen tegenspoedt,

Maar ’t waagstuk boeten zal.

 

Zo toch, zo meent de Hopman meê,

Die ’t handvol volks versmaadt,

Zijn weg vervolgt, naar krijgsmansaard,

Maar vruchtloos voort wil met een vaart,

Waar ’t ros door modder waadt.

 

Het bootsvolk biedt hem d’eersten groet

In negen kogels aan,

En negen ruiters storten neer –

‘Wraak!’gilt de Spanjaard, en zijn speer

Zal ’t negental verslaan.

 

Maar ’t Hoen verheft zijn koopren stem:

‘Voort, makkers, velt uw spies!

Geen Spanjaard die den dood ontsnapp’,

Of zelfs, gewond, zal val verklapp’,

Zo hij de vlucht verkiez’!

 

En op den vijand ingestormd,

Als waar’ ’t geen ijzren wand,

Koelt nu de huisman ₁ , uitgetart

Door Alvaas plunderschaar, het hart

Aan dat verderf van ’t land.

 

De dijk weêrgalmt van ’t strijdgerucht

En ’t klettren van de speer;

’t Rinkinken van de stalen dos:

Het briesen van ’t gewonde ros,

En ’t buldren van ’t geweer.

 

Hij vangt des Spanjaards vloekkreet op.

Die vruchtloos weerstand biedt,

Waar hem de Geus tot wijken dwingt,

En telkens verder rugwaarts dringt,

Of velt in poel en riet.

 

Intussen heeft de tweede boot,

Geroeid door ’t golvend wed,

Niet minder stout, niet minder vlug,

Verrassend in des vijands rug

Zijn manschap uitgezet.

 

En als de Spanjaard wijken wil,

Zo ver, de drasse grond,

Nog murwer door de hoef gekneed,

Doorweekt tot greppel, poel en spleet,

Aan ’t wagglend ros vergont –

 

Jaagt ook van daar de Geus hem voort

Met handspaak, lans of roer,

En ploft hem, als hij rugwaart wil,

Naar onder in den waterkil,

Of trapt hem onder ’t moer ₂.

 

De schrik stormt met de maats van ’t Hoen

Op Spanjes krijgers neer:

Hier vlug en los, daar zwaar in ’t staal,

Toch kampt men feller telken maal,

Maar Spanje dunt al meer.

 

Wie voorwaart rukt – wordt neêrgeveld,

Wie rugwaart dringt – doorboord,

Wie zijwaart wijkt = stort in den plas,

Wie staan blijft – slibbert in ’t moeras,

Of wordt in ’t slijk gesmoord.

 

De kleppers wentlen in hun bloed

En ’s meesters bloed meteen,

Of schudden dien van ’t wagglend zaâlm

Of kneuzen hem in eigen staal,

Bij ’t plettren van hun leên.

Wie rijst, valt neêr; wie valt, verzinkt:

’t Is of de modder groeit,

En zich de Geus verdubblen kan:

De Kastieljaan vindt staâg zijn man,

Zo lang de strijd maar loeit.

 

In ’t eind wordt van den speermansstoet

Geen ruiter meer ontwaard,

Maar op den dam ligt nu een dijk

Verhoogd van bloedend lijk bij lijk,

En stervend paard bij paard.

 

Don Freedrik, die voor Haarlems vest

Naar hun versterking smacht,

Tuurt vruchtloos uit en haakt om niet,

En zucht, dat hij geen scheemring ziet

Van ’t krijgsvolk, dat hij wacht.

 

Dus werd des huismans woord vervuld,

In fieren trots geslaakt:

‘Zo waar ik vrijbuit op den vloed,

Zo waar wordt heel die speermansstoet

Mijn, eer bij ’t leger naakt!’

 

En als de vijand hoort van ’t feit,

Zo vlug bestaan als stout,

Roept Liques: ‘k Wil dien krijgsheld zien,’

En om dees daad een gift hem biên,

Een rijk geschenk in goud!’

 

Maar needrig slaat de huisman ’t af,

En zegt met edel vuur:

‘Dank, Veldheer, dank: maar heeft ooit ’t Hoen

In later dag uw gunst van doen,

Gedenk dan aan dit uur!’

 

De nieuwe Hoge Boom (herdenkingsboom) op de plaats van de overval aan de Spaarndammerdijk. Foto Frans Rodenburg

 

En Hollands faam blies overluid

Zijn lof in ’t zegelied;

En zolang maar een dijkstrook rest,

Die Haarlem hecht aan Amstels vest,

Vergaat ’t Hoens glorie niet.

 

En ieder roeijacht dat de plecht

Doet spieglen in het IJ,

Herroept zijn daad voor elk gemoed,

Dat liefde voor ’s lands Vaadren voedt,

Door wie ons erf, van God behoed,

Den naam verwierf van vrij!

 

₁  huisman = boer

₂ moer = veen

 

Aldus S.J. van den Bergh in zijn Balladen en gedichten, Schiedam 1852.

Lees ook ons facebookbericht voor meer achtergrondinformatie en foto’s.

 

 

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s

%d bloggers liken dit: