Over een bijzondere boom, bliksem en elbow grease

1 Aug

De oude oorspronkelijke vangtechniek van wilde eenden op eendenkooien mag voor haar tijd zeker zeer vernuftig en inventief genoemd worden, maar daarbij waren kooien van oudsher ook een duurzame en energie-neutrale voedselleverancier.

Uit KEARTON R. 1898 with nature and camera

Waar gehakt wordt ….
In de beginjaren van de eerste eendenkooien in de 16e en 17e eeuw was een directe en efficiënte energiebron het houtkacheltje in het kooikershuisje. Voor brandstof werd vanaf de Late Middeleeuwen lokaal boomhout in de omgeving van Amsterdam steeds schaarser en nam het gebruik van turf toe. Maar voor onze kooiker bleef hakhout de belangrijkste brandstof, dit dankzij de terugkerende opbrengsten uit zijn eigen omliggende kooibos. Naast warmte uit hout en turf, de oudste vorm van biomassa, waren de belangrijkste energiebronnen uit die tijd dierkracht, windkracht, zonnewarmte en …. menselijke spierkracht (met durf en doorzettingsvermogen). Of zoals een Engelse collega-kooiker anno 1620 uit Waxham in Norfolk gezegd zou hebben ‘elbow grease’.

Hakhout verzamelen in het kooibos

Potkachel in het kooikerhuisje van Warmond

Spannende spanning
Het praktische huishoudelijke en bedrijfsmatige gebruik van elektriciteit, zoals wij dit nu kennen, was in de tijd van de eerste Vlaamse en Hollandse eendenkooien nog totaal onbekend. Maar in de 16e en 17e eeuw gold voor het bestaan van een berucht aanverwant fenomeen: ‘ Het Weerlicht’, het tegenovergestelde. Echter, pas halverwege de 18e eeuw wees een gedurfd experiment van Benjamin Franklin uit dat weerlicht bij onweer een belangrijke natuurlijke oervorm van spontane energieontlading was en werd door hem, na een experiment door geleiding en sturing via een vliegerlijn, voor het eerst ook elektriciteit genoemd.

Hoge bomen vangen ….
Met name de heftige gevolgen van een blikseminslag waren bij onze kooiker zeer bekend, berucht en gevreesd. Een van de oorzaken van veelvuldige inslag was hier de aanwezigheid van enkele hoge bomen in het kooibos. En met name van een specifieke solitaire boom die op een eendenkooi bekend staat als de ‘vlaggeboom’ of ‘bakenboom’, de door de kooiker met zorg beheerde landmarkering, bedoeld als herkenningspunt voor door de lucht aanvliegende eenden. De waterrijke ondergrond waar deze bomen in geworteld zijn zorgde hierbij voor extra geleiding en aantrekking voor blikseminslag.

Bakenboom en windmolens eendenkooi Ruigoord

Oude duurzaamheid in een nieuw jasje
Aardig om te zien dat de nu overgebleven actieve eendenkooien in Holland in onze huidige tijd vaak in de nabijheid een aansluiting hebben gekregen op het reguliere elektranet en deze energie ook gebruikt bij allerhande hedendaagse werkzaamheden op deze kooien. Zo ook onze kooi van Ruigoord die, van origine hier gevestigd als het oudste ‘bedrijf’ in dit deel van het havengebied van Amsterdam, haar elektriciteit uiteindelijk weer afneemt van en opgewekt krijgt door nabijgelegen moderne windturbines. Een variant op haar oorspronkelijke 16e en 17e eeuwse duurzaamheid wordt hier nu weer op een eigentijdse manier een stukje teruggewonnen!

 

 

 

Centrale moderne elektrakast omtimmerd in 17e eeuwse stijl, eendenkooi van Ruigoord

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Materiaalgebruik door de eeuwen heen

19 Jun

Zolang er eendenkooien bestaan, hebben de stichters en bouwers van deze kooien altijd voor die materialen gekozen die het goedkoopst en het meest direct voor handen zijn.

Levend bouwmateriaal
Vanaf de 15e en het begin van de 16e eeuw gebruikten de kooimannen veelal ter plaatse te oogsten materiaal zoals boomtakken, wilgentenen en riet. Vaak gebruikten zij ook blijvend levend groenmateriaal.

Afbeelding van een groene levende vangpijp

De constructie van een levende vangpijp

‘Wie appelen vaart, die appelen eet’
De 17e eeuw was een tijd van grote economische voorspoed, ook wel de Gouden Eeuw genoemd. In deze periode werden in de groeiende Hollandse dorpen en steden veel robuuste bouwmaterialen gebruikt voor boerderijen en grachtenpanden, maar ook voor de bouw van handels- en vissersschepen. De eerste massaal geproduceerde bakstenen, handgeboete visnetten en geïmporteerd grenen- en eikenhout waren dan ook terug te vinden op de Hollandse eendenkooien uit die tijd.

Stalen vangpijpenbeugels op de kooi van Meetkerke

De IJzeren Eeuw
Ten tijde van de industriële revolutie, begin 19e eeuw, werden eerder uitgevonden materialen grootschaliger en goedkoper geproduceerd. Stalen buizen werden voor het eerst gebruikt voor vangpijpbeugels en vanaf 1870 werd er in Nederland voor het eerst gewapend beton gemaakt met Portlandcement.

 

 

Vangpijp gemaakt van metaal en geplastificeerd gaas

De nieuwste materialen

Schermen op de kooi van Bornem gemaakt van eternitplaten

Op de laatste eendenkooien, waar in de 20e eeuw nog actief eenden gevangen werden voor handel en consumptie, werd met toenemende mate geplastificeerd gaas en nylonnetten over de vangpijpbeugels gespannen. Na de Tweede Wereldoorlog werden op sommige kooien zelfs rietmatten vervangen voor golfplaten gemaakt van eternit (!), met asbestsaneringen hier in onze tijd tot gevolg (totaalverbod in Nederland op asbestdaken en plaatmateriaal in open ruimten verwacht in 2024!).

Onze materialen
De eendenkooi van Ruigoord heeft zijn oorsprong in de 17e eeuw en heeft hier gelegen tot de aanloop naar de inpoldering van het omliggende IJ-water in de 2e helft van de 19e eeuw. Eiken- en grenenhout waren in deze tussenliggende perioden rondom het eiland en in de nabijheid van Amsterdam ruim voorhanden en wilgentenen en riet konden zelfs ter plaatse geoogst worden. Dit zijn dus de passende basismaterialen die voor nu gebruikt worden bij de opbouw van onze eerste vangpijp.

Vangpijpbeugels van gebogen grenenhout t.p.v. de 1e vangpijp van de eendenkooi van Ruigoord

Schalk in ’t ooverleggen, stout in ‘t uitvoeren

27 Apr

De eendenkooi van Ruigoord is gesticht in 1652, maar er zijn aanwijzingen dat al voor die tijd eenden gevangen en gedood werden op het oude eiland. Het bleef hier echter niet altijd bij watervogels … (!).

Fuiken, strikken en vishaken
Een beschrijving van het eiland Ruigoord rond 1573, ver voor de drooglegging van de omliggende wateren van het IJ, opgetekend onder auspiciën van het Nederlands Volkskundig Genootschap vertelt:

‘Ver genoeg van de vaste wal gelegen om rustig te zijn, was het met zijn ruige rietboorden en slikkerige uitlopers, zijn inhammen en kleiplaten buiten af in zijn kreken en poelen naar binnen een welkom oord voor vele waterbewoners.
Menigmaal werden zij er belaagd door listige vogelaars. Voorzichtig in het riet gedoken of op andere wijze de argeloze dieren verschalkend, hielden de jongens in de hand een lang touw met wat drijvend aas aan het eind, zo ver mogelijk in het water geworpen.
Liet nu een hongerige vogel zich verlokken, hapte hij gretig toe en slikte hij, niet minder gulzig, het verraderlijk aas in, dan sprong de vogelaar toe, na eerst de lijn naar zich te hebben toegehaald, en het eind was… een omgedraaide hals.

Geuzenstrijder

Hier was het ook, dat tegen het einde van het Spaanse beleg van Haarlem in 1573 Spaanse verversingstroepen aanlandden om eenden te vangen, terwijl Kennemer vrijbuiters in de herberg aan de Westsaner Overtoom zaten. Geen enkele der Spaanse krijgslieden was het ontkomen. Ruigoord, het water van het Houtrak tot aan de Spaarndammerdijk, was het einde van hun loopbaan.’

Roeiers op het IJ nabij Ruigoord.
Kaart Joost Jansz 1608

Spaans benauwd
Een van de indrukwekkendste overvallen op de Spaanse bezetter hier werd na 1628 beschreven door de befaamde historicus P.C. Hooft die het optekende volgens het verhaal van hen die het daadwerkelijk hier beleefd hebben.

Te deeze tydt hield zich op ’t Y een vrybuiter der Geuzen, geheeten ’t Hoen, die, schalk in ’t ooverleggen, stout in ’t uitvoeren, met onvoorziene aanslaaghen de waateren onveiligh maakte. Deez’, verspiedt hebbende, hoe een’ bende speerruiteren van Amsterdam naa Haarlem trok, liet zich voorstaan, datze zijne waaren, indien hy hen op een rak¹ dyx, daar ter zyde geen’ uitvlucht was, betrappen konde. Twee roeyjaghten had hy bij zich en booven achtien man’ niet, en wild’ het echter waaghen met dus een’ vuist vol volx. Ziende hen ter gewenschte plaatse, spreiden zy zich en koomen ten deel van vooren, ten deel van achteren opklimmen. ’T Weeke weeder had ook den dyk geweikt, en de paarden het noch quaadt genoegh zonder andere belemmering, alzou zoo zy dikwijls door de korst heen stapten en ten buik toe in de modder schooten. Versmaadende nochtans de weenighte, die hun ’t hoofd bood, vorderden zy hunnen wegh, maar konden geen veirt maaken. Toen leggen de vrybuiters aan en naauwelyx een’ scheut, oft ze deed eenen man sneuvelen. Voort vellen de voorsten hunne spietsen zonder schroomte voor de speeren, die daarby in lengte niet haalen moghten, en dryven hen den achtersten toe. Daar worden zy eeven oevel gegroet en echter ² gedwongen, toom te wenden. Binnenwyle hadden de voorsten herlaaden, en gingen hunn’ eersten gang. ‘Thel ³, gekneedt van de hoofslaagden, werd hoe langher hoe murwer en ’t eene ros by ’t ander bleef steeken in ’t klamme slyk oft slibberde op het gladde, in zyn eyghen en zyns meesters bloedt en schudde hem uit het zadel. Dit vallen en opstaan, gins en weeder jaaghen, duurde, tot de gantche kornet 4, geschat op anderhalfhonderd koppen, ter neer geworpen was.

1 een recht stuk weg, vgl. Damrak, Vuilrak en Houtrak
2 opnieuw
3 nieuw=Nederlands hal = bevroren grond
4 afdeling ruiterij

 

De Spaarndammerdijk tussen Halfweg en Spaarndam, plaats van de overval.

’t Hoens glorie

De voorjaarszon straalt warmer glans

En smelt de sneeuw tot slijk,

Het water zwelt in sloot en kreek,

Maakt velden dras en weiden week,

En sijpelt in den dijk.

 

Maar dat keert Spanjes heirmacht niet

Van Haarlems muren af.

Al heet haar slinkend krijgertal,

In wreevlen moed, den fieren wal

Hun kerkhof en hun graf.

 

Weêr rukt een nieuwe speermansstoet

Van driemaal vijftig aan;

Het weemlend licht van d’uchtendglans

Weêrkaatst op pantser, helm en lans,

En op Sing Jagoos vaan.

 

Hij rukt, gelijk een donderwolk

Van bliksemvuur doorgloeid.

In stilte voort naar de oorlogsmacht,

Die hunkerend naar versterking smacht,

Door langen strijd vermoeid.

 

Wie doet dien dichtgesloten drom

Van ijzren mannen staan?

Wie keert hen van de vege stad?

Wie rukt hen tegen op hun pad,

En vangt den kampstrijd aan?

 

Niet één verschijnt, niet één daagt op,

Waar ’t hoopvolle oog ook staar’;

Dan wat vermocht een held toch ook

Op die doorweekte, smalle strook,

Beheerst door zulk een schaar?

 

Alleen langs ’t plassend stroomnat drijft

Een tweetal jachten voort,

Met tweemaal negen maats bemand,

Verjaagd van ploeg en akkerland,

En ’t hart door wraak gespoord.

 

Maar wat zou tegen de ijzren speer

Die boerenkiel bestaan?

En wat dit enkle handmusket

Ook tegen borsten, gants omzet

Met stalen harnasblaân?

 

En toch van dáár, van dáár alleen

Genaakt de tegenstand: –

Naauw ziet het Hoofd der wakkre maats

De ruiters ter gewenster plaats.

Of ’t jachtpaar steekt naar land.

 

Een bood ontlaadt zich in ’t gezicht

Van ’t Spaanse ruitertal,

Dat meesmuilt om den overmoed

Der manschap, die hen tegenspoedt,

Maar ’t waagstuk boeten zal.

 

Zo toch, zo meent de Hopman meê,

Die ’t handvol volks versmaadt,

Zijn weg vervolgt, naar krijgsmansaard,

Maar vruchtloos voort wil met een vaart,

Waar ’t ros door modder waadt.

 

Het bootsvolk biedt hem d’eersten groet

In negen kogels aan,

En negen ruiters storten neer –

‘Wraak!’gilt de Spanjaard, en zijn speer

Zal ’t negental verslaan.

 

Maar ’t Hoen verheft zijn koopren stem:

‘Voort, makkers, velt uw spies!

Geen Spanjaard die den dood ontsnapp’,

Of zelfs, gewond, zal val verklapp’,

Zo hij de vlucht verkiez’!

 

En op den vijand ingestormd,

Als waar’ ’t geen ijzren wand,

Koelt nu de huisman ₁ , uitgetart

Door Alvaas plunderschaar, het hart

Aan dat verderf van ’t land.

 

De dijk weêrgalmt van ’t strijdgerucht

En ’t klettren van de speer;

’t Rinkinken van de stalen dos:

Het briesen van ’t gewonde ros,

En ’t buldren van ’t geweer.

 

Hij vangt des Spanjaards vloekkreet op.

Die vruchtloos weerstand biedt,

Waar hem de Geus tot wijken dwingt,

En telkens verder rugwaarts dringt,

Of velt in poel en riet.

 

Intussen heeft de tweede boot,

Geroeid door ’t golvend wed,

Niet minder stout, niet minder vlug,

Verrassend in des vijands rug

Zijn manschap uitgezet.

 

En als de Spanjaard wijken wil,

Zo ver, de drasse grond,

Nog murwer door de hoef gekneed,

Doorweekt tot greppel, poel en spleet,

Aan ’t wagglend ros vergont –

 

Jaagt ook van daar de Geus hem voort

Met handspaak, lans of roer,

En ploft hem, als hij rugwaart wil,

Naar onder in den waterkil,

Of trapt hem onder ’t moer ₂.

 

De schrik stormt met de maats van ’t Hoen

Op Spanjes krijgers neer:

Hier vlug en los, daar zwaar in ’t staal,

Toch kampt men feller telken maal,

Maar Spanje dunt al meer.

 

Wie voorwaart rukt – wordt neêrgeveld,

Wie rugwaart dringt – doorboord,

Wie zijwaart wijkt = stort in den plas,

Wie staan blijft – slibbert in ’t moeras,

Of wordt in ’t slijk gesmoord.

 

De kleppers wentlen in hun bloed

En ’s meesters bloed meteen,

Of schudden dien van ’t wagglend zaâlm

Of kneuzen hem in eigen staal,

Bij ’t plettren van hun leên.

Wie rijst, valt neêr; wie valt, verzinkt:

’t Is of de modder groeit,

En zich de Geus verdubblen kan:

De Kastieljaan vindt staâg zijn man,

Zo lang de strijd maar loeit.

 

In ’t eind wordt van den speermansstoet

Geen ruiter meer ontwaard,

Maar op den dam ligt nu een dijk

Verhoogd van bloedend lijk bij lijk,

En stervend paard bij paard.

 

Don Freedrik, die voor Haarlems vest

Naar hun versterking smacht,

Tuurt vruchtloos uit en haakt om niet,

En zucht, dat hij geen scheemring ziet

Van ’t krijgsvolk, dat hij wacht.

 

Dus werd des huismans woord vervuld,

In fieren trots geslaakt:

‘Zo waar ik vrijbuit op den vloed,

Zo waar wordt heel die speermansstoet

Mijn, eer bij ’t leger naakt!’

 

En als de vijand hoort van ’t feit,

Zo vlug bestaan als stout,

Roept Liques: ‘k Wil dien krijgsheld zien,’

En om dees daad een gift hem biên,

Een rijk geschenk in goud!’

 

Maar needrig slaat de huisman ’t af,

En zegt met edel vuur:

‘Dank, Veldheer, dank: maar heeft ooit ’t Hoen

In later dag uw gunst van doen,

Gedenk dan aan dit uur!’

 

De nieuwe Hoge Boom (herdenkingsboom) op de plaats van de overval aan de Spaarndammerdijk. Foto Frans Rodenburg

 

En Hollands faam blies overluid

Zijn lof in ’t zegelied;

En zolang maar een dijkstrook rest,

Die Haarlem hecht aan Amstels vest,

Vergaat ’t Hoens glorie niet.

 

En ieder roeijacht dat de plecht

Doet spieglen in het IJ,

Herroept zijn daad voor elk gemoed,

Dat liefde voor ’s lands Vaadren voedt,

Door wie ons erf, van God behoed,

Den naam verwierf van vrij!

 

₁  huisman = boer

₂ moer = veen

 

Aldus S.J. van den Bergh in zijn Balladen en gedichten, Schiedam 1852.

Lees ook ons facebookbericht voor meer achtergrondinformatie en foto’s.

 

 

Vorm en samenstelling van een vangpijp

15 Apr

Bij de opbouw en vormgeving van de eerste vangpijp van onze eendenkooi van Ruigoord gaan we uit van de toenmalige setting in het jaar 1668, een kooiplas met drie vangpijpen.

 De zuidelijkste pijp
De eerste vangpijp wordt door ons gemaakt ten zuiden van onze kooiplas en buigt af in westelijke richting. Naast eerder genoemde lichtinval en windrichting uit onze voorgaande blog is de in onze tijd beschikbare ruimte in het veld nu ook bepalend voor deze aanleg in westelijke richting.

Samenstelling van de pijp op maaiveldhoogte
Ter hoogte van het grondoppervlak en het waterpeil bestaat een vangpijp van het originele Vlaamse type uit drie aansluitende onderdelen:

  1. De vangpijpsloot waarvan de bodem vanuit de kooiplas, de kromming van de sloot volgend, van diep naar ondiep oploopt en daarbij ook van breed naar smal.
  2. Het vervolg van de vangpijp over land, tevens van breed – aansluitend op het einde van de sloot – naar smal.

Van diep naar ondiep en van breed naar smal

Over land van breed naar smal

 

 

 

 

 

 

Afneembaar fuiknet

3. Het laatste deel van de vangpijp over land, en tevens het einde van de vangpijp, is volgens het originele Vlaamse type een afneembaar rond vangfuiknet, enigszins vergelijkbaar met het fuiknet welke vissers gebruiken. Dit fuiknet is afneembaar voor als de vangpijp niet wordt gebruik en er geen eenden worden gevangen. Het net wordt dan door de kooiker in zijn kooihuisje veilig opgeborgen.

Duck-helling
Voor de overgang van het einde van de sloot naar het deel over land kan bij een mogelijk hoogte verschil tussen land- en waterpeil de grond schuin worden afgestoken of een schuin  houten schot liggend worden aangebracht. Dit schot functioneert als een soort kleine boothelling, maar dan voor onze eenden. Dit alles om de doorstroom van vluchtende eenden niet te belemmeren.

Eendhelling in aanbouw

Voorbeeld van een kleine boothelling

 

 

 

 

 

 

Droge sloffen
Ons deel van de vangpijp dat over land loopt wordt vanuit de grond uitgezet en opgebouwd op zwart gebeitste eikenhouten sloffen. Om dit deel van de pijp praktisch werkbaar te houden zijn deze sloffen horizontaal gesteld in een laag zand van 10 à 15 cm dik. Plassen door regenval op deze laaggelegen grond zullen dan wat gemakkelijker van dit deel van de vangpijp weg kunnen lopen.

Overwegingen bij de opbouw van de eerste vangpijp

11 Mrt

Een afbeelding op een oude kaart uit 1668 van het waterschap ‘het Hoogheemraadschap van Rijnland’ laat onze eendenkooi van Ruigoord zien, 16 jaar na het jaar van formele toestemming voor de oprichting. Een fantastische inspiratie bij de huidige reconstructie.

Ligging eendenkooi van Ruigoord met 3 vangpijpen, 1668

Afwijkend model
De initiatiefnemers van toen kozen voor het aanleggen van in totaal 3 stuks vangpijpsloten in verschillende windrichtingen. Het ontwerp met dit aantal vangpijpen, gegraven vanuit een ovaalvormige kooiplas, week in haar tijd geheel af van het toen landelijk gangbare ‘roggen-ei model’. De natuurlijke vorming en veranderingen van het landschap in ruimtelijke setting van het oude eiland in het IJ, met vele kreken en slikken, zullen bepalend zijn geweest voor deze vormgeving van de eendenkooi van Ruigoord.

Eendenkooi volgens het rogge-ei model

Ei-kapsel van een rog, ook wel genoemd ‘a mermaids purse’ (meerminnenhandtasje)

 

 

 

 

 

 

Zonnestand en windrichtingen
Een van de meest succesvolle vangpijpen voor wat betreft de eendenvangst in onze eendenkooi, zal díe vangpijp zijn geweest die deels op het zuiden (zonlicht) en deels op het westen (meest voorkomende windrichting) was gebouwd. Eenden vliegen bij onraad bij voorkeur naar het licht toe en stijgen bij het vluchten het snelst tegen de wind in. Door deze natuurlijke gedragingen van onze ’Entvoghels’  zal een hierop zorgvuldig aangebrachte vangpijp in ons veld optimaal renderen.

Naar het licht toe vluchtende eenden in een vangpijp

Werking vangpijp met wilde eenden en tamme staleenden

Terug naar nu
Voor het opbouwen van de eerste vangpijp volgens het originele Vlaamse type in onze huidige reconstructie kiezen we dan ook voor een aanleg in zuid-westelijke richting.

Onze vangpijpsloot, afbuigend in westelijke richting

Gezien vanaf de kooiplas nu gemaakt met een ruime vangpijp-opening op het zuiden gericht en de vangpijp afbuigend in westelijke richting. Zover de beperkte, beschikbare ruimte het in onze tijd toelaat, een praktisch uitgangspunt en de meest effectieve opstelling om het gecompliceerde vangprincipe voor iedere bezoeker inzichtelijk te maken.
Overtuig uzelf en kom kijken!

Uitzetten laatste deel van onze vangpijp over land

Toegang van onze vangpijpsloot vanaf de plas gezien gericht op het zuiden

Terug naar de eerste vangpijp

18 Feb

Uitvoerig historisch onderzoek, diverse materiaaltesten en menig werkbezoek aan bestaande eendenkooien in Nederland en België, heeft ons de laatste maanden geïnspireerd teneinde welk type vangpijp het meest interessant en doeltreffend is om op te bouwen in specifiek onze kooi van Ruigoord.

Tekening Hans Zantinge

Kans om te onderscheiden
Omdat de huidige opbouw en aanleg van onze eendenkooi vooral een landschappelijke impressie zal zijn van ‘wat hier ooit was’, en het bestaande grondgebied van nu niet de oorspronkelijke ruimte en kenmerken meer heeft voor een reconstructie in haar oorspronkelijke vorm en omvang, biedt de huidige setting juist nieuwe interessante kansen en mogelijkheden.

Beugels boven en niet-dragend op de rietmatten.

Een succesvol ontwerp
De manier waarop een vangpijp werd opgebouwd vertoont bij het verloop van de eeuwen een duidelijke evolutie. De oudste informatie over vangpijpen kennen we van oude afbeeldingen en etsen uit de 16e en 17e eeuw. Bij dit eerste en oudste vangpijptype, oorspronkelijk afkomstig uit Vlaanderen, zijn de fuiken over de vangpijpen opgebouwd met halfcirkelvormige beugels die niet steunen op de rietschermen. Vanaf het begin van de Gouden Eeuw heeft het ontwerp van dit originele type vangpijp zich verspreid over o.a. Groot-Brittannië, Duitsland, Frankrijk en met name Nederland.

Vlaamse vangpijpen in de Schelde

Hollandse zuinigheid
Vanaf het begin van de 18e eeuw gingen de Hollandse kooimannen echter ‘aan de haal’ met dit oorspronkelijke ontwerp. De opbouw werd omgevormd tot een eenvoudige en daarmee goedkoper type. De ronde vormen werden hierbij geleidelijk vervangen voor rechtere en vierkante lijnen. Zo ontstonden er in Nederland verschillende streekgebonden vangpijptypen, zoals het Gelderse, het Overijsselse, het Terschellingse en het Noord-Hollandse model.

Verdwenen vormen
Deze evolutie van Nederlandse vangpijpen heeft ervoor gezorgd dat gedurende de 20ste eeuw en tot op de dag van vandaag van de nu ruim 100 geregistreerde eendenkooien er geen Hollandse eendenkooien meer zijn van het originele type met de karakteristieke halfcirkelvormige fuikbeugels.

Proefbeugel van gelamineerd grenen hout

 Werkzaamheden hervat
De reconstructie van de impressie van de oude eendenkooi van Ruigoord biedt ons nu de gelegenheid om deze evolutie in vangpijpen letterlijk in het landschap zichtbaar en beleefbaar te maken. Van de drie aanwezige vangpijpen kunnen we hier een exemplaar van het originele type herintroduceren. Uniek voor Nederland!

Proefmodel beugel eendenkooi van Ruigoord

Paal en perk

26 Jan

In de 17e eeuw, de jaren van de opbouw van de eendenkooi van Ruigoord, konden de eerste kooikers zonder formele graafvoorschriften probleemloos bodemwerk voor vangpijpsloten en funderingen voor bebouwingen uitvoeren en palen voor rietschermen, schuttingen en hekwerk in de grond aanbrengen. De uitvoering van dit grondwerk is in onze eeuw aanzienlijk ingewikkelder geworden.

17e eeuwse vergunning voor de rechten van een eendenkooi

Een bepaling met palen
In 1698 werd aan kooiuitbaters in de omgeving van de oude stad Utrecht door landeigenaren voor het eerst toestemming gegeven het rustgebied rond hun eendenkooien in te meten en uit te zetten. Om aangevlogen wilde eenden niet te verjagen werd vanuit het middelpunt van de kooiplas een denkbeeldige cirkel uitgemeten met een straal met een later landelijk gemiddelde van ongeveer 1000 meter. Langs deze cirkel werden meerdere palen in de grond aangebracht, met aan deze palen tekstborden bevestigd met daarop geschreven het dwingende voorschrift dat binnen deze bepalingscirkel niets mag gebeuren dat de rust van de eenden zou kunnen verstoren.

In 1807 werd deze regeling opgenomen in de wettelijke regelgeving van de landelijke jachtwet: het recht van afpaling.  Oude Hollandse uitdrukkingen zoals ‘paal en perk stellen’, ‘puntje bij paaltje’ en in het hedendaagse taalgebruik ‘het is een wettelijke bepaling’ zijn mede afkomstig van het oude kooikersberoep.

Leslokaal School2Work met tekening van het bodemonderzoek aan de wand

Klic-onderzoek
Voor onze tijd geldt niet alleen de regelgeving van boven de grond, maar ook voor onder de grond. Voor wie machinaal wil graven of zaken in de grond aanbrengt, geldt ook de formele verplichting voor een verkennend bodemonderzoek, het zogenaamde klic-onderzoek. In de 20ste en 21ste eeuw zijn in Holland enorme hoeveelheden elektrakabels, leidingen en aan- en afvoeren onder het maaiveld begraven. Dus voor wie hier iets bij wil leggen en om beschadiging van het bestaande te voorkomen, moet weten wat er reeds ligt.

* Detail uit tekening. Met speciale dank aan Markus BV voor het sponsoren van de kosten van deze tekening behorende bij de klic-melding.

Veiligheid voor alles
Onze jongens van School2Work en hun werkmeesters hebben de tekeningen* van het bodemonderzoek dus goed bestudeerd voordat de palen de grond in gaan voor de nieuwe bewegwijzering in Ruigoord. Een goede voorbereiding is hier dan ook weer het halve werk.